Over spelletjes

by J.H. Fondse | 01/12/2019 19:47

Het lijkt zo eenvoudig: het verkleinwoord van spel is spelletje. Toch is de gevoelswaarde een geheel andere. Je kunt een spel spelen of een spelletje spelen; de grens is natuurlijk van de context afhankelijk en niet altijd even duidelijk maar wordt meestal direct herkend. Een speeltje is nog weer wat anders.

Kijk maar eens hoe al die woorden gebruikt worden. Wat je bijvoorbeeld met een spel kaarten kunt doen: toepen is een spelletje, klaverjassen is een spelletje, maar als het een competitie is dan is het ineens een serieus spel, en als je bridge een spelletje kaarten noemt, kan dat tot eeuwige en knallende ruzies leiden. Het is ook een gelegenheidsargument dat bijvoorbeeld gebruikt wordt als je terugkeert van het voetbalveld en je met een nulletje of vier in de pan gehakt bent, dan zeg je “ ’t Was maar een spelletje… ”.

Kennelijk kun je naar believen kiezen tussen het gebruik van de woorden spel en spelletje en de toehoorder moet maar uit het zinsverband opmaken wat er bedoeld wordt. De Engelsen zijn daar veel strikter in; zij hebben er twee verschillende woorden voor namelijk game en play. Wij noemen een ‘game‘ een computerspelletje en dit woordgebruik verbloemt dat hier een multinationale industrie achter zit waar miljoenen en zelfs miljarden in omgaan. Met name jongeren worden verleid om laagdrempelig in te stappen om zo steeds meer en fanatieker te blijven spelen. Pardon, dat is geen spelen, dat is gamen. Deze bezigheid geschiedt in eenzaamheid achter de computer, tablet of i-phone en doelgroep is nagenoeg onzichtbaar voor de buitenwereld. Daardoor is deze groep ook niet als groep benaderbaar. Het is in de maatschappij zelfs zo ver ingevreten dat er vaak sprake is van game-verslaving en er therapeuten nodig zijn om er van af te komen. Maar omdat de belangen van deze industrie enorm zijn, zal men continue op zijn hoede moeten blijven om niet weer in dit netwerk verstrikt te raken.

Maar dan ‘play‘ als het (samen) spelen en het spelplezier. In tegenstelling tot ‘game’ is er in ‘play’ ruimte voor eigen initiatief en als groep je eigen spelregels stellen. Kortom kinderen ontwikkelen zich. Als overheid kom je er niet langer mee weg om te blijven roepen dat kinderen vaker buiten moeten spelen en tegelijkertijd de normen voor speeltoestellen zo streng maakt dat slechts enkele gespecialiseerde bedrijven hieraan kunnen voldoen. Als er daarenboven uitsluitend speelplekken voor de jeugd toegestaan worden indien er helemaal niemand in de buurt te vinden is die enig bezwaar maakt, gegrond of niet, is dat de dood in de pot voor het speelplezier van kinderen. Dan wordt play toch weer een game, van een vrij spelen is geen sprake meer; de speeltoestellen mogen uitsluitend gebruikt worden zoals ze ontworpen zijn. We zijn zeker vergeten hoe leuk het vroeger was om enig risico te nemen bij het spelen (natuurlijk noemde je dat niet zo, het was gewoon ’spannend’). Wat is vandaag aan de dag risicovol spelen? De definitie volgens Veiligheid.nl: “Bij risicovol spelen gaan kinderen aan de slag met spannende, uitdagende en avontuurlijke activiteiten, waarbij een risico bestaat op een (kleine) verwonding. Tijdens risicovol spelen testen en verleggen kinderen hun grenzen door nieuwe activiteiten uit te proberen en hun angsten te overwinnen. De opwinding, spanning en trots die kinderen ervaren tijdens het ontdekken en opzoeken van hun grenzen maakt dat kinderen risicovol spelen heel leuk vinden.” Vervolgens geeft Veiligheid.nl op hun site allerlei tips om kinderen die risicovol spelen te begeleiden.

niet gamen maar echt spelen.

Waarom is het nodig dat kinderen begeleid worden tijdens het risicovol spelen? Is met cijfers aangetoond dat er te veel ernstige ongevallen gebeuren als kinderen onbegeleid met hoge snelheid een heuvel affietsen? Moeten we nu ook zulk soort activiteiten met een soort wet gaan inkaderen (lees beperken of verbieden)? Zitten de kinderen wel te wachten op ‘begeleiders’ als ze lekker aan het spelen zijn? Die vraag wordt niet gesteld. Ik denk zelfs dat je kinderen zelf hun grenzen moet laten ontdekken, anders krijg je later alleen maar bange mensen die onzeker en afwachtend zijn.

In mijn jeugd zo’n 60 jaar geleden noemden wij risicovol spelen gewoon “spelen”, niet meer, niet minder. Spelen kent namelijk altijd een bepaalde mate van risico. Veiligheid.nl deelt de verschillende vormen van risicovol spel in 6 varianten in: Spelen op hoogte, met snelheid, met gevaarlijke voorwerpen, op gevaarlijke plekken, trek- en duwspelen en spelen uit zicht.

Toch zie ik nog hoop gloren, want in een blog van een docent/keurmeester van speeltoestellen las ik het volgende.

‘Als ik na een middag vuurtje stoken in de lokale bossen thuis kwam vroeg mijn moeder niet: “En heb je risicovol gespeeld?” Waarop ik had kunnen reageren met: “Ja moeder, in de categorieën met gevaarlijke voorwerpen (vuur), op een gevaarlijke plek (bos met vallende takken) en uit zicht. Waarop ze me dan verwijtend aankeek en onderzocht op opgelopen (kleine) verwondingen. De realiteit was natuurlijk anders. Mijn moeder zag me al van verre aankomen met modder aan mijn broek, takjes en eikels hangend aan mijn haar, ruikend naar rook van verbrande bladeren waarop ze vragend uitschreeuwde hoe ik aan die lucifers was gekomen’.

Al vanaf het in werking treden van het Warenwetbesluit Attractie- en Speeltoestellen (WAS) in 1997 is Nederland in twee kampen verdeeld. Enerzijds kamp 1 dat bestaat uit de volgers van de regelgeving plus de bijbehorende normen (overheid en industrie) en anderzijds kamp 2 die daar zo ver mogelijk van weg wil blijven. Kamp 2 is uitgesproken voorstander van risicovol spelen zonder daarbij aan allerlei lastige regels te moeten voldoen en vooral de kinderen daarmee niet op te zadelen.

De hele discussie rondom de WAS, risicovol spelen en zelfs de “burger-pilot” *) kan ingekort of misschien zelfs van tafel geveegd worden als we met z’n allen het toelaatbare risico voor het spelende kind bespreken. Als we met z’n allen duidelijk krijgen waar de grens van het toelaatbare ligt kunnen we de discussie in de kiem smoren. Natuurlijk gaat dat nooit lukken. Daarvoor zijn er te veel uiteenlopende meningen in speelland. En er zijn altijd wel lieden die altijd overal bezwaar tegen willen maken. Het is de vraag of die wel het podium verdienen dat hen verleend wordt, want dat is dan hùn spelletje.

Jan Fondse

*) Pilot waarin burgers in een maatschappelijk initiatief wordt toegestaan zelf al dan niet tijdelijk speeltoestellen in de openbare ruimte te plaatsen en zelf voor het toezicht en onderhoud zorgen.

Source URL: https://www.dieverindialoog.nl/over-spelletjes/