Is het nu nostalgie of nemen de woorden, begrippen, die op (…)rij eindigen af? Dan denk ik bijvoorbeeld aan slagerij, bloemisterij, smederij, drogisterij of brouwerij. Het was toch een normaal straatbeeld waarin de ambachtslieden hun werkplaatsen en winkels hadden. Gelukkig hebben we hier nog een bakkerij, eentje met een warme bakker, die tot de top van Nederland behoort. Het is trouwens ook een oude gewoonte dat ambachtslieden zich verenigden in gilden. Voor de toelating tot een gilden legde een ambachtsman een meesterproef af. In de loop van de 17e eeuw worden meesterproeven ingevoerd voor bijna alle belangrijke ambachten. Het gilde zorgt ervoor dat haar leden aan de hoogste kwaliteitseisen voldoen en stimuleerde dat door competities.
Zodoende kon in het moderne bakkersgilde onze bakker door deelname aan zo’n competitie de titel de beste bakker van Groningen en Drenthe bemachtigen. Natuurlijk was dit een prestatie van zijn hele team want naast productkwaliteit werd ook de kwaliteit van de winkel meegenomen.

De Amerikaanse hoogleraar Robert David Putnam (1941) schreef een beroemd geworden boek ‘Bowling alone’, dat gaat over het verdwijnen van de gemeenschapszin. Hij benadrukt dat traditionele maatschappelijke organisaties aanzienlijk aan belang hebben ingeboet. Putnam maakt in zijn werk onderscheid tussen twee soorten sociaal kapitaal. Het ene bindt samen (bonding) en het andere slaat bruggen (bridging). Het samenbinden vindt plaats tussen mensen die zich in elkaar herkennen: mensen met gelijke leeftijd, ras, religie enzovoort. Maar belangrijk in een multi-etnische samenleving is ook de tweede vorm van sociaal kapitaal: het bruggenbouwen. Bruggen slaan is de verbinding tussen mensen die niet gelijk zijn in leeftijd, sekse, religie, interesses en dergelijke. Volgens Putnam bestaan deze twee vormen naast elkaar en versterken elkaar bovendien. Zijn stelling is dan ook dat met het verlies aan samenbindend sociaal kapitaal ook de etnische tegenstellingen groter worden en bruggenbouwen moeilijker wordt.

In de oude gilden met hun sterke verticale structuur was er duidelijk onderscheid tussen hoog en laag. De meester stond bovenaan, daarna de gezellen en als laatste de leerling. De leerling liep mee met de ‘meester‘ en gaandeweg ontwikkelde die zich door afkijken, oefenen en meelopen en kon zo kennis overnemen en zich de beroepshandelingen eigen maken.
De gezellen onderling waren in een horizontale structuur verbonden. Zij onderhielden contact en bespraken hun dagelijkse bezigheden en problemen. Vaak bij een pintje bier, zodat het al gauw ‘gezellig’ werd. Ook ‘vrijgezel’, ‘gezelschap’, ‘metgezel’ en ‘levensgezel’ delen dezelfde herkomst. Hier wordt sociaal kapitaal opgebouwd dat als ‘bonding’  gezien kan worden: het samenbinden van mensen die zich in elkaar herkennen.
Ditzelfde geldt voor de moderne ambachtslieden zoals de bakker, de slager en de hoefsmid. Zij herkennen in elkaar niet alleen de vakmensen, maar ook de sores van het hoofd boven water moeten zien te houden.

Daarom is het zorgelijk dat er in het straatbeeld van de steden veel meer filialen van grote ketens zichtbaar zijn. Zijn de stedebouw­kundigen, die veel meer nieuwbouw van meerdere woonlagen met een commerciële plint ontwerpen, de oorzaak van deze verarming? Of ligt het bij de afdeling ruimtelijke ordening van gemeentes en de provincie. Of is dit het netto resultaat van het neo-kapitalistische marktdenken van het grootkapitaal?
Wie het weet mag het zeggen.
Maar de echte gezelligheid vind je in de dorpen met hun kleine winkeltjes, waar de winkelier/ambachtsman nog de winkel aan huis heeft en je altijd nog achterom geholpen kunt worden als de nood aan de man is.
Laten we dus zuinig zijn op die winkeltjes en laat ze niet opslokken door de snelle jongens (en meiden) van de retailers op internet. Want wat verdwenen is komt niet één-twee-drie meer terug.
Hoe zou dat toch zitten met dat andere soort sociaal kapitaal: het bruggen bouwen (‘bridging’)? Is dat nog relevant en voor wie dan?

Jan Fondse

Open in print-vriendelijk formaat.